<                                                                              Annemiek Wolse                                                                               >

Annemiek Wolse

Rozemarijn de Booij

<                                                                             Rozemarijn de Booij                                                                           >

Their approach

Annemiek Wolse

Rozemarijn de Booij

Summarized, edited text by Eef Schoolmeesters

During this quite hectic week with preparing an group exhibition at De Fabriek in Eindhoven, Annemiek put 168H in the light of all this. She had been reading and researching about the concept of 'places', and for the project she focused on what it means to be at a certain place, or to not be.  

 

She wrote about three different methods to approach her work: the mediator, the traveler, the art zealot.
For a couple of days she has been in Kopenhagen, to anticipate on her concept of 'places'. During this visit she developed new ways to create work, through staging: giving something the spotlight, theatrically, directly... and thus forming ideas about the line of fiction and imaginary imagery and situations. 

Below you can read the full original description of her methods and where they originate from, in Dutch!
 

 

 


 

Werkwijzen
Binnen deze cirkel van werkwijzen bevinden zich alle werken, acties en experimenten die ik tot nu toe heb gemaakt. Ik zal nu deze werkwijzen toelichten. 


De reiziger
De rijkdom, de onmetelijkheid, het eindeloze, het andere, difference, to live and to wander, etc. Wat betekent het om ergens te zijn?  Hoe geven wij vorm aan de onmetelijkheid? Een nieuwe plek, een utopie, een lege plek. 

Rijkdom is altijd een rijkdom aan verschillen en overeenkomsten. Als je je daartoe voelt aangetrokken zal je een overvloed herkennen aan dwingende redenen om na te denken, dat wil zeggen een weg voor jezelf te vinden tussen de verwarrende oneindige veelvoud. Er is dan ook meer te ontdekken dan alleen dat ‘wat je nodig hebt’, niet het ‘te weinig’ is een eigenschap voor wat er te zien is maar eerder het ‘te veel’. 

De mens heeft twee aangeboren impulsen: te leven en te dwalen. Hij kan zijn wensen combineren voor enerzijds een instinctieve wens voor de onmetelijkheid en anderzijds naar huiselijkheid. Avontuur en veiligheid. 

Als reiziger ben je aan het ontdekken, aan het verkennen. Vergelijkingen en verbanden worden gemaakt. De Rijkdom manifesteert zich daar waar je jezelf toelaat te kijken met een blik van de reiziger, de onderzoeker, de ervaar-der. De extremen van het leven kunnen geopenbaard worden door ergens niet te zijn en iets niet te zijn.  
 

Toen ik in Brazilië verbleef kwam ik eigenlijk tot de conclusie dat ik steeds wisselde en onderscheid maakte tussen drie posities terwijl ik ontdekte hoe het leven was in Belo Horizonte. De ene was afstandelijk observeren. De tweede was het observeren terwijl ik actief betrokken was in de situatie en de derde was compleet actief meemaken om vanuit eigen ervaring te zeggen wat er gebeurde. 

Hegel schreef over de relatie tussen ‘de zelf’ en ‘de ander’. Hij ziet de kennis van de ander als een intieme beïnvloeding van het begrijpen van de zelf. De reden waarom het zo cruciaal is om de ander te erkennen, is omdat alleen in deze ontmoeting met de ander, de zelf herkend kan worden voor wat het in- en voor zichzelf is. Door middel en door de ander. Hegel claimt dat de enige vorm van erkenning wederzijds is. Je kan je identiteit niet in je eentje uitwerken. Het is alleen door de intieme ontmoeting dat je kan leren wie je bent. De ander maakt je wie je bent door het erkennen wie je bent, op dezelfde manier als jij dit bij de ander doet. 

De essentie van een plek komt niet voort uit de locatie, noch uit haar functie of uit de cultuur van haar bewoners. Al zijn dit belangrijke kenmerken. De essentie van een plek ligt in de voornamelijk onbewuste intentie, welke de plekken definieert als diepgaande centra van het menselijk bestaan. Een individu is niet ‘anders’ dan de plek, hij is als het ware de plek. Het eigenmaken van een plek, het betrekken of immigreren van of naar een plek, kan dus ook betekenen dat men immigreert in zichzelf. 
 
De non-plek is een plaats die gemarkeerd wordt door de vluchtigheid, het tijdelijke en het kortstondige. Zoals snelwegen, vliegvelden en supermarkten. Waar een bepaalde geschiedenis of tradities niet relevant zijn. Ongegronde plekken die gemarkeerd worden door de mobiliteit en de beweging. Inauthenticiteit wordt gevonden in mobiliteit en mobiliteit kan gezien worden als kenmerk voor al het leven in een toenemende versnellende wereld. 

Dan is er de suggestie dat de mobiliteit en de plek hand in hand gaan aangezien plekken altijd al hybride zijn geweest. Door ons erdoor heen, ertussen, en er rond te bewegen doen we gewoon wat we altijd al deden. 

De aantrekkingskracht van de plek blijft in ons leven als het geografische component van de psychologische behoefte om ergens te horen, te toebehoren. Het is een tegengif voor de heersende vervreemding. Zelfs in de eeuw van de rusteloze, multitraditionele mensen en zelfs als de kracht van de plek is verminderd en vaak verdwenen is, blijft de plek, als een afwezigheid, de cultuur en identiteit bepalen en het blijft ook als een aanwezigheid, de manier waarop we leven veranderen. 

We mogen dan concluderen dat het concept van een plek waarschijnlijk steunt op de symbiose van de locatie, en de beweging, in plaats van de waardebepaling van de een of de ander. 

De plek als een kruispunt of knooppunt, als een constant gevoel van worden door de toepassing en praktische kennis. De plek is de context voor de toepassing maar ook het product ervan. Iets dat alleen logisch is als het geleefd is. 

Het verlangen om een plek opnieuw te betreden is het verlangen om het te lezen en het te begrijpen, het te approprieren en de radicale andersheid te behouden dat de hoeken opvult. We willen iets in het huis lezen omdat we totale afwezigheid niet kunnen verdragen. Hoe dan ook, het is zeker niet nodig om nomadisch te worden om te kunnen dwalen in de afwezigheid, om te ontsnappen aan dit gevoel van zijn dat gelimiteerd is aan de manier waarop we het vullen met concepten. 


De ijveraar voor de kunst
Opnieuw bevragen van de context waar kunst nu tentoon wordt gesteld, of zich bevindt. Het onderzoeken en behandelen van wat er nu gaande is in de wereld, de maatschappij, de kunst. Het zoeken naar een nieuwe esthetiek. Het nadenken over hoe en waar ik een residentie zou maken.

De historische en filosofische taak is om verhoudingen en relaties opnieuw in kaart te brengen en te herschikken. Verhoudingen en relaties tussen subject en object, tussen personen en dingen. New Realism is nodig als term voor de openbaring van haar verborgen kern, voor de ontevredenheid met de omstandigheden van het kunstsysteem dat haar protagonisten ervaren. Alleen als schrijvers en kunstenaars zich gaan voelen als falende in hun strijd met de realiteit, zullen ze zich af gaan vragen wat het betekent om zich te conformeren met deze realiteit.

Schrijvers en kunstenaars, als je een realist wilt zijn, moet je leren leven met de verdenking dat je beschrijving en inzicht van de menselijke psyche pure fictie is, totdat tijd en geschiedenis de werkelijkheid bevestigt.
 

De bemiddelaar 
De bemiddelaar zijn tussen de wereld en de mens, de bemiddelaar zijn tussen mijn waarneming en de communicatievorm. Troost. Potentialiteit.
Het verbeteren van de omgang met de ontevredenheid met en met de ontwrichting en versnelling van het leven.

Een van mijn wensen is troost bieden. Troost voor het realisme met als betekenis die van de 19e eeuwse literatuur. De ongeschreven ogenschijnlijk beperkende regels over de realiteit zijn subjectief, maar ook cultureel en maatschappelijk. Bij sommige mensen tevens kunstenaars zie ik een soort van bewijsdrang. Zij willen doen wat niet kan omdat ze verteld worden dat het niet kan. Zij willen de belachelijkheid van de omgang van de mens met de wereld aan de kaak stellen. Ik zie bij hen veel overeenkomsten met wat ik wil in mijn werk. Het herbevragen van regels en grenzen die men aanneemt met betrekking tot de realiteit. Zij het dat het karakter van mijn ideeën wat minder gaat over wat we allemaal niet zomaar aannemen, maar meer over het laten zien dat wanneer je het inzet dit een gift is. Ik haal troost uit het feit dat ik zelf de meest waardevolle bron ben voor het waarnemen van de wereld. 
Wat de mens scheidt van de rest is dat we als enige wezens zijn die de capaciteit hebben van hun eigen impotentie, onze potentie om niet te zijn. Juist hier ligt onze vrijheid, veel eerder dan in de mogelijkheid om bepaalde handelingen te manifesteren.
 

Summarized, edited text by Eef Schoolmeesters

'Objets Trouvés' carry the imprints of earlier use. These found elements or parts are processually as well as historically ordenend in a new grid. These different layers of time form a fragile area, where their ordening can refer to construction and deconstruction. These ordenings are to be seen as an understanding of time and history in a non-linear way. 
 

During the time of the project, Rozemarijn spent 68hours in Kopenhagen and 100hours in Brabant. This time she spent mostly reviewing her usual ways of handeling her material. In stead of taking the potential of the materials with her into her studio, she made an archive that refers towards the outside. Literally: it was an attempt to view the layers from a different perspective, to describe and document in another way. A different stage, different distances, relations, experiences and proportions. 
 

Rozemarijn was also part of the group exhibition at De Fabriek in Eindhoven. Her evaluation:
The studio is about the space or capacity that is available but there is no definitive way to use it. It's just the frame for what could be done: the carrier for the first layers of the work. Each layer comes with it's own frame, the whole is a stack of possibilities combined. Firstly asks herself, how to show the full potential, what kind of shape something immaterial like that should have and how it exists behind the (re)presented surface.
Then next question is how to convert experiment in a sensible potency. In the studio this potency is always present in a way, but when you show your work some place else the conditions change - sometimes it's even missing something. Therefore Rozemarijn decided to try to create a bridge between the work and the location, by using the architecture of the place as a part of het work - to see architecture as material in stead of a stage.


 

E E F    S C H O O L M E E S T E R S